Het risico op laaggeletterdheid bij scholieren

Is bijna een kwart van de 15-jarigen in Nederland laaggeletterd? Een op de vier 15-jarigen zou moeite hebben met het gebruiken van gedrukte en geschreven informatie om te functioneren in de maatschappij, om de eigen doelen te bereiken en om eigen kennis en mogelijkheden te ontwikkelen. Dit frame verdient enige nuance.

 

In het rapport van de Onderwijsinspectie De Staat van het Onderwijs over het jaar 2019 staat een passage over dalende prestaties van 15-jarigen op het gebied van leesvaardigheid: ‘Uit internationaal vergelijkend onderzoek zou blijken dat 24 procent van de 15-jarigen risico loopt op laaggeletterdheid. Dit betreft vooral leerlingen uit het praktijkonderwijs (pro), vmbo-basis en vmbo-kader en leerlingen van lageropgeleide ouders.’ In de media, onder onderwijsdeskundigen en onder politici is dit percentage een eigen leven gaan leiden en is slechts door een enkeling geverifieerd. Volgens de Stichting Lezen en Schrijven heeft 18% van de groep 16 jaar en ouder moeite met lezen en schrijven. Dan is het toch niet logisch dat 24% van de 15-jarigen laaggeletterd is. Zelfs in de Tweede Kamer was de schokkende 24% te lezen in een met algemene stemmen aangenomen motie van 6 juni 2020:

In het rapport Resultaten PISA-2018 in vogelvlucht  staat op pagina 22 een staatje met de 24%:

Op de website van de Stichting Lezen en Schrijven staat als definitie van laaggeletterdheid: 'Laaggeletterden kunnen wel lezen, schrijven en/of rekenen, maar beheersen niet het minimale niveau voor een startkwalificatie om te kunnen meedoen in de samenleving. Het minimale niveau is vastgesteld op 2F'. Dit niveau komt ook terug in het Pisa rapport. Niveau 2 uit het Pisa rapport kent een score tussen 407 en 480. Dit zijn de gemiddelde scores per schooltype:

Alleen vmbo basis en pro (praktijkonderwijs) vallen op basis van het gemiddelde onder niveau 2. Dat is een vertekend beeld als je kijkt naar de marges binnen de scores van iedere schoolsoort. In onderstaande grafiek is die marge te zien: 

 

In 2020 zaten 937.118 jongeren in het voortgezet onderwijs. Daarvan zat 57,2% op de Havo en het Vwo, 39,6% op het Vmbo en 3,2% op het Praktijkonderwijs.

 

Pisa komt om de drie jaar met cijfers over o.a. leesvaardigheid. In het rapport worden 7 niveau’s van leesvaardigheid onderscheiden. Onder dit artikel staan de niveau’s uitgeschreven. De gemiddelde score onder Nederlandse leerlingen was in 2018: 485. In 2003 was dat nog 530. Het Oeso gemiddelde lag in 2018 op 489. Zowel het gemiddelde in de Oeso landen als het Nederlandse gemiddelde ligt op niveau 3 van Pisa. De hoogste gemiddelde score wordt gehaald door China met 555. Dat ligt op niveau 4.

Op basis van de grafiek met de spreiding per schooltypen over de verschillende niveau’s en de cijfers uit 2020 van de aantallen leerlingen op de verschillende schooltypen ontstaat het volgende overzicht van percentages onder het niveau 2, of te wel onder de Pisa score van 407: 85% van de  Pro leerlingen, 62% Vmbo basis en 53% Vmbo kader en 33% Vmbo G en TL. Dat levert de volgende aantallen op:

85% van 29.761 = 25.297

62% van 62.390 (32.078 + 30.312) = 38.682

53% van 105.721 (54.357 + 51.364) = 56.032

33% van 203.015 (202.379 + 636) = 66.995 

Totaal: 187.006 leerlingen uit 2020 scoren onder taalniveau 2. Dit is 20% van het totaal aantal leerlingen van 937.118.

Bij de Stichting Lezen en Schrijven staan vier fabels rondom de definitie van laaggeletterdheid. Een daarvan luidt: Kinderen met een te laag taal- en rekenniveau zijn laaggeletterd. Op kinderen is de term laaggeletterd niet van toepassing. Tenslotte zijn kinderen en jongeren nog bezig om het eindniveau van vaardigheden te verwerven. Voor (jonge) kinderen kan het daarom volstrekt normaal zijn om te functioneren op een niveau dat we voor volwassenen als laaggeletterd beschouwen. Aan het eind van de basisschool wordt van de leerling verwacht dat deze minimaal het niveau 1F haalt. Heeft een leerling dit niveau niet gehaald, dan beschouwen we dit als achterstand. Deze leerling heeft een verhoogde kans om later laaggeletterd te worden.

Als je de bovenstaande cijfers gebruikt om te bepalen hoe hoog het percentage onder het niveau 1 zit, dan gaat het niet om 20%, maar om 5,4% van de leerlingen. Dit alles is reden genoeg om het eigen leven van de 24% kans op laaggeletterdheid te nuanceren. De 24% onder niveau 2 uit 2018 lijkt op basis van de cijfers van 2020 gedaald te zijn naar 20%. Met de kennis van de Stichting Lezen en Schrijven loopt hoogstens 5,4% van de leerlingen risico op laaggeletterdheid. Het betreft leerlingen uit het praktijkonderwijs, vmbo basis en vmbo kader. De interventies ter verbetering en voorkomen van laaggeletterdheid moeten gericht worden op deze doelgroep. 

Michiel Verbeek, 15 mei 2022

 

Niveau-omschrijvingen

In het Pisa rapport worden 7 niveau’s onderscheiden:

Onder 1 (score tussen 189 en 335): Expliciet geformuleerde informatie vinden in een korte, eenvoudige tekst van een vertrouwd teksttype. Simpele verbindingen leggen tussen aangrenzende stukken informatie.

Niveau 1 (score tussen 335 en 407): Expliciet geformuleerde informatie vinden. Hoofdgedachte of auteursintentie herkennen. Eenvoudige verbindingen leggen tussen de informatie in de tekst en alledaagse kennis.

Niveau 2 (score tussen 407 en 480): Eén of meer stukken informatie vinden. Hoofdgedachte in de tekst bepalen en relaties begrijpen. Betekenis geven aan een deel van de tekst door simpele conclusies te trekken. Vergelijking maken met of relaties leggen tussen de tekst en alledaagse kennis. 

Niveau 3 (score tussen 480 en 553): Relaties vinden en herkennen tussen informatie die op verschillende plaatsen wordt geboden. Delen van een tekst met elkaar in verband brengen om zo een hoofdgedachte te vinden, een relatie te begrijpen of de betekenis van een woord of zin te bepalen. Verbindingen leggen, vergelijkingen maken, verklaringen geven of goed begrip van de tekst tonen in relatie tot algemene, alledaagse kennis.

Niveau 4 (score tussen 553 en 626): Impliciete informatie in de tekst vinden en ordenen. Betekenis van nuances in de taal interpreteren in relatie tot de gehele tekst. Opstellen van hypotheses over, of het kritisch evalueren van een tekst, gebruik makend van algemene kennis. Begrijpen van lange of complexe teksten waarvan de vorm en de inhoud minder vertrouwd is.

Niveau 5 (score tussen 626 en 698): Sterk impliciete informatie in de tekst vinden en ordenen. Bepalen welke informatie in de tekst relevant is. Opstellen van hypotheses over, of het kritisch evalueren van een tekst, gebruik makend van specialistische kennis. Interpreteren en evalueren van lange of complexe. Teksten waarvan de vorm of de inhoud minder vertrouwd is. Omgaan met ideeën die tegen de verwachting in gaan.

Niveau 6 (score boven 698): Op detailniveau nauwkeurig kunnen concluderen, vergelijken en contrasteren. Volledig en gedetailleerd begrijpen van één of meer teksten, door (indien nodig) informatie uit meerdere teksten te integreren. Minder vertrouwde ideeën verwerken, ook bij duidelijk strijdige informatie in de tekst. Opstellen van hypotheses over of het kritisch evalueren van een tekst over een minder vertrouwd onderwerp en daarbij meerdere criteria of perspectieven meenemen. Analyseren en aandacht hebben voor minder opvallende details in de tekst.